Diensbaarheid

Dienstbaarheid

Michael gaat op een beurs, de Exclusive Spring Fair bij kasteel Groeneveld, zijn schilderijen verkopen. Een van zijn yogaklanten, een galeriehouder heeft hem gevraagd om samen met hem een tentje te delen. Omdat dit gegeven voor Michael helemaal nieuw is en omdat er veel moet gebeuren, meer dan hij in eerste instantie dacht, vraagt hij veel van mij. Voor mijn gevoel is de toon daarbij erg dominant.

Dit is niet waar.

Hij vraagt het aardig en vriendelijk. Sterker nog; ik biedt voornamelijk zelf aan om hem te helpen.

Wat is het dan dat ik ervaar?

Ik ervaar zijn frustratie. Frustratie die het hele project omringt. Van het niet weten hoe het goed aan te pakken, van het moeten haasten, van te veel moeten doen in te weinig tijd. Hij heeft daar een gruwelijke hekel aan. Hij wordt daar gestrest van. En in tegenstelling tot mijzelf, die van stress labiel wordt, wordt hij dominant.

Hij is gefocust op een harde manier. Zegt dat hij er ontspannen in wil gaan, dat hij niks hoeft te verkopen, dat dit alleen maar leren is, maar hij is TOTAAL NIET ONTSPANNEN.

Het huis wordt een troep, ik ruim op, ik doe de boodschappen, ik kook maar bovenal help ik. Ik sta hem bij en doe dat zelf. Ik vind dat ik dienstbaar moet zijn omdat hij ook zo vaak mij bijstaat. Ik doe niet wat ik zelf wil doen en voel mij ‘vaag’ worden. Een beetje verdwijnen. IK VOEL MIJZELF NIET MEER. Hij voelt mijn ‘verdwijnen’ ook. Het wordt er niet gezelliger op en van echt fijn helpen is geen sprake meer.

Na de eerste beursdag die een deceptie was -bijna niemand was echt geïnteresseerd in zijn schilderijen, er waren weinig bezoekers, het publiek was 80 plus.- spreken we ons naar elkaar uit.

Hij vraagt: ‘Wat is er met jou?’ Ik zeg: ‘Ik heb allerlei boze gedachten over de gang van zaken en over jou maar het is niet constructief om het daar over te hebben. Ze zijn er.’

Vervolgens hebben we het er toch over. Wat we zeggen is hard en koud. We doen elkaar pijn. Het stopt ook weer snel omdat we dit beide niet willen. We vallen stil.

We zitten in de tuin, het is fantastisch weer. Ik kijk naar de boom die ik vorig jaar gesnoeid heb en nu weer nieuwe blaadjes krijgt. Mooi. Michael vraagt of ik nog bezig ben met wat we net tegen elkaar gezegd hebben. Ik zeg van niet, ik kijk naar de boom. Hij hoort de vogels. Achter de heg fiets een jongen langs die tegen zijn vriend zegt: ‘en als de wereld over zes jaar vergaat, wat dan?’. We glimlachen naar elkaar. Michael vraagt: ‘ja wat dan?’.

We gaan weer naar binnen. Het is een rare avond waarin we stilletjes ieder ons ding doen en toch samen zijn. In de nacht houden we elkaar vast. Ik besluit dat ik morgen niet naar de beurs zal komen maar mijn eigen dingen zal doen. Hij zal naar de beurs gaan met de intentie om zo dicht mogelijk bij zichzelf te blijven.

Als hij thuiskomt van de tweede beursdag zijn we blij elkaar weer te zien. We hebben het allebei fijn gehad. Michael heeft een schilderij verkocht! Ik heb precies gedaan wat ik leuk vond, zoals het schrijven van deze blog 🙂

Bij nadere beschouwing kom ik erachter dat ik last had van de overtuiging: ‘Als ik mij niet dienstbaar opstel wordt ik niet op prijs gesteld.’ Het tegendeel bleek waar: ‘Als ik mij niet dienstbaar opstel word ik gewaardeerd’. Want niemand zit er natuurlijk op te wachten dat ik ‘verdwijn’. Om te beginnen ikzelf niet.

Uit naam van Michael Hulst of vanuit zichzelf schrijft Petulia van Tiggelen deze blog. Samen met Michael begeleidt zij het persoonlijke ontwikkeltraject ‘Bewust creëren’. www.bewustcreeren.info

Dit bericht heeft 1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *