Petulia van Tiggelen, vrouw, 48 jaar, regisseur

Vanaf mijn vierde tot en met mijn 45ste was ik astmapatiënt. Als kind had ik last van zware astma aanvallen waarbij ik leunend op mijn moeders arm naar de wc moest schuifelen. Zelf lopen ging niet meer, platliggen ook niet meer en ik gaf alles over. Om mijzelf van mijn extreem piepende ademhaling af te leiden keek ik veel tv en luisterde naar plaatjes. Ademhalen werd een enorme krachtinspanning.

Ik had mij als kind bij deze aanvallen neergelegd. Zo’n aanval duurde meestal een week, daarna was ik behoorlijk uitgeput en vermagerd, en moest ik weer op krachten komen. Als ik zo’n aanval kreeg ging ik in een soort van overlevingsstandje, waarbij alle energie die ik had ging zitten in ademhalen. Verder was ik nooit ziek. Leuk was het niet want ik miste er feestjes door en andere gezellige momenten. Soms kreeg ik een aanval vlak voordat we bijvoorbeeld op vakantie gingen en dan gaven mijn ouders mij een stootkuurtje prednison. Verder kreeg ik geen medicijnen.

Mijn ouders waren erg van het alternatieve circuit en later zag ik daar zelf ook veel in. Ik heb dan ook heel wat soorten geneeswijzen uitgeprobeerd. Zoals: homeopathie, acupunctuur, aanpassing van voeding (geen melkproducten, geen suiker), voedingssupplementen onder begeleiding van een orthomoleculair arts, osteopaat, kinesiologie, Bach remedies, rebirthing, reïncarnatietherapie, gebedsgenezing en vast nog wel meer. Alle behandelingen en therapieën hielpen in meer of mindere mate maar brachten niet dé oplossing voor mijn astma.

In mijn pubertijd ben ik luchtwegverwijderaars gaan gebruiken (omdat ik geen zin meer had in de aanvallen). Rond mijn twintigste had ik daar zoveel van nodig dat ik toch maar naar een longarts ging. Deze werd boos op mij omdat ik niet eerder was gekomen. Hij constateerde longemfyseem en een nog maar 50% functionerende longcapaciteit. Vanaf dat moment ben ik dagelijks medicatie gaan gebruiken, een combinatie van ontstekingsremmers en luchtwegverwijderaars. Er werd mij verteld dat ik deze heel mijn leven nodig zou hebben. Ik legde mij daarbij neer, al heb ik regelmatig geprobeerd om met de medicatie te stoppen maar dat lukte nooit.

Totdat ik drie jaar geleden benauwd in bed lag en er zo ontzettend genoeg van had! Ik was ondertussen heel wat bewuster geworden en was er van overtuigd geraakt dat een lichamelijke klacht je altijd iets te vertellen heeft. Maar wat?!!! Mijn vriend, die ik toen sinds kort kende en mental coach is, ging er met mij naar kijken.

Dit is wat er gebeurde:

Mijn linkerheup is pijnlijk. Michael vraagt een vraag die we elkaar vaker stellen in dit soort situaties: ‘wat heeft dit gebied je te vertellen?’ Ik kom op het woord ‘Holen’. Wat betekenen ‘holen’ voor mij? Ik denk aan spelonken, grotachtige ruimtes waar je je kunt verstoppen. Michael vraagt mij ernaar toe te gaan.

Ik daal diep af in mijn lichaam en kom in donkere, kelderachtige ruimtes terecht. Ik dwaal door de ruimtes, er staat niets in en ik voel mij heel erg alleen.

Plotseling in de laatste ruimte zie ik het zitten: een reusachtig monster! Ik zie het echt! Een siddering gaat door mij heen. En ik weet meteen, dit is wie ik werkelijk ben.
Het is een groot, lelijk, harig monster vol puisten en bulten en het kijkt mij schuw aan. Het jammert. Het (het is een ‘het’) voelt zich heel, heel erg alleen en slachtoffer van alles. Maar kent ook zijn eigen kracht niet en kan zeer destructief zijn, dat voel ik. Het is ook een alert monster, altijd op zijn hoede om niet ontdekt te worden.
Ten diepste geloof ik dat ik dit ben, een monster. Door en door slecht. En al die jaren heb ik in angst geleefd dat mensen dit zouden ontdekken en mij dan natuurlijk zouden afwijzen.
Michael vraagt mij het monster aan te kijken. Ik kijk het recht in de ogen en wonderbaarlijk genoeg wordt het kleiner en kleiner en verandert in… een baby.
En opeens besef ik dat ik dit niet ben. Ik ben helemaal geen monster. Ik kan het misschien wel zijn maar ik ben het niet.
In feite is het monster mijn kracht die ik daar heb opgeborgen. Bang dat als ik hem vrij laat, ik afgewezen zal worden. Tra la li, tra la la, ik ben dat monster niet! De opluchting en blijheid zijn onbeschrijfelijk groot. Als ik de volgende ochtend wakker word, heb ik geen last van mijn astma.

Al die jaren heb ik in angst geleefd dat mensen zouden ontdekken dat ik eigenlijk ten diepste ‘slecht’ ben. Nu snap ik ook mijn absurde, buitenproportionele angst voor als ik mijzelf moest presenteren. Er ontstond dan een soort van adembenemende paniek, waarbij ik het liefst zou willen verdwijnen, mijzelf zelfs zou willen vermoorden om maar niet ‘gezien’ te hoeven worden. Alleen door sterke wilskracht kon ik mijzelf dwingen om ‘in het moment te blijven’ en mij niet te laten afleiden door de paniek in mijn hoofd. Zo kon ik uiteindelijk toch doen wat ik moest doen, en gek genoeg toch ook graag wilde doen. Als ik dan eenmaal op het podium stond zag niemand meer iets aan mij…

Het monster is in mijn kindertijd, pubertijd en volwassenheid zeer regelmatig door mijzelf ‘gevoed’. Waarbij er een trigger op afwijzing zat en ik telkens weer kon zeggen: ‘ Zie je wel, daar gebeurt het weer. Als ik laat zien wat ik wil, word ik afgewezen. Dat moet ik dus maar niet doen.’ Ik ging voorbij aan alle mensen die mij niet afwezen, want die kwamen niet overeen met mijn innerlijke negatieve overtuiging over mijzelf. Pas toen ik kon ervaren dat ik ‘geen monster ben’ en dus ook niet ‘slecht’ ben, kon mijn angst voor afwijzing als het ware vanzelf oplossen. Sinds die ochtend heb ik geen medicatie meer nodig gehad.
Dat ik zo in één gesprek van mijn astma ben afgekomen, vind ik nog steeds nauwelijks te bevatten. Toch ben ik nu drie jaar verder en is het nog steeds zo.

De gezondheidszorg zou er voor moeten zorgen dat veel meer mensen zich er bewust van worden hoe sterk vastzittende emoties met daaraan gekoppelde negatieve overtuigingen doorwerken in je lichaam. En dat je daar dus, onder begeleiding, zelf veel aan kan doen!